Hoofdstuk 1: Historische context
Les 2: De invoering van de AOW in 1957 en koloniale uitsluiting
Lesdoel:
Je begrijpt na deze les hoe de invoering van de AOW in 1957 samenging met de uitsluiting van koloniale gebieden zoals Suriname, en waarom dit vandaag nog steeds gevolgen heeft.
Een wet ingericht zodat alleen inwoners uit Nederland profiteren:
Toen de AOW op 1 januari 1957 werd ingevoerd, was Nederland nog een koloniaal rijk. Suriname, de Nederlandse Antillen en Nederlands-Indië (het huidige Indonesië) maakten allemaal deel uit van het Koninkrijk der Nederlanden. Toch gold de AOW alleen voor mensen die op dat moment in Nederland woonden.
Mensen in de koloniën – ook al waren ze Nederlands staatsburger – werden uitgesloten van deze sociale voorziening. Dit gebeurde niet per ongeluk. De wet was bewust zo ingericht dat alleen inwoners van het “moederland” ervan konden profiteren. Dit is een duidelijk voorbeeld van structurele uitsluiting op basis van geografische en raciale hiërarchieën binnen het Koninkrijk.
Voor Surinamers betekende dit dat hun jaren in Suriname vóór hun migratie naar Nederland niet meetellen voor de AOW-opbouw. Zelfs als ze bijvoorbeeld op 30-jarige leeftijd naar Nederland kwamen en hun hele leven daar werkten en belasting betaalden, misten ze al 15 jaar AOW-opbouw.
Deze koloniale uitsluiting werd na 1975 nog zichtbaarder, toen Suriname onafhankelijk werd en de migratie naar Nederland toenam. Velen kwamen als ex-rijksgenoten, vaak met beperkte middelen, en kwamen er pas veel later achter dat ze geen volledige AOW zouden ontvangen.
De AOW-wet toont dus hoe koloniale verhoudingen ook na de formele dekolonisatie doorwerkten in wet- en regelgeving – en hoe juridische uitsluiting leidt tot structurele ongelijkheid.